U bent hier

Home

Coleophora lutipennella (Zeller, 1838)

Gewone eikenkokermot
Familie: 
Synoniemen: 
= cucullata Vallot, 1802
Soort mijn: 
Imago: 

De voorvleugels zijn okerkleurig, bruin-okerkleurig met dikwijls een licht oranje tintje, zeker niet okergrijs.
De voorrand is ook niet lichter gekleurd.
Dikwijls is, amper waar te nemen, de basis en de apex verdonkerd.
De voelsprieten zijn wit okerkleurig tot donkerbruin voluit geringd.
De spanwijdte bedraagt 10 mm - 12 mm.
De imago's zijn te vinden van einde juni tot eind augustus.

Koker: 

In het eerste stadium, tot na de overwintering, leeft de rups in een kromme pistoolkoker.
Deze heeft aan de buikzijde een kiel.
Na de overwintering maak de rups een andere koker die volledig van zijde gemaakt is.
Hij is lichtbruin, driekleppig en buisvormig, 7 mm lang.
De mondhoek is 45°. 
De kokers zijn doorgaans op de bovenzijde van de bladeren te vinden.

Mijn: 

De rups maakt in het begin een minuscuul klein gangmijntje waar toch wat frass in te zien is.

Opmerkingen: 
Waardplanten: 
Castanea sativa
Tamme kastanje
Quercus petraea
Wintereik
Quercus pubescens
Donzige eik
Quercus robur
Zomereik
Quercus rubra
Amerikaanse eik
Quercus spec.
Eik spec.
Verspreiding België: 

Deze soort is na 2004 in: Antwerpen, Limburg, Henegouwen, Namen en Luxemburg gevonden.
Oudere meldingen komen uit: Oost-Vlaanderen, Brabant en Luik.

Verspreiding algemeen: 

Geheel Europa, uitgezonderd de Middellandse Zee-eilanden.

Levenscyclus: 

De rupsen zijn begin juni volgroeid, dan verpoppen ze.
De imago's zijn te vinden van eind juni tot eind augustus.