U bent hier

Home

Wat zijn bladmineerders en hoe herkennen we ze?

© Kvhs.nbed.nb.ca >>leaf structure<<

Op de foto hierboven ziet u de dwarsdoorsnede van een blad

  • De cuticula is een waslaagje dat geproduceerd wordt door de epidermiscellen om de plant te beschermen tegen uitdroging.
  • De epidermis is een laag met afgeplatte cellen die geen bladgroen bevatten.
  • Het palisadeparenchym is een laag cellen die dient voor de photosynthese en die dus ook de meeste chlorophylkorrels bevat.
  • Het sponsparenchym bestaat uit een sponsachtig weefsel met veel luchtkanalen voor de aan- en afvoer van koolzuurgas en zuurstof.
  • Vervolgens de onderepidermis en terug een cuticula.
  • Op de foto zien we ook de hoofdnerf en een zware zijnerf.

 
Wat doen bladmineerders nu juist?

  • De meeste rupsen eten het blad volledig op, maar sommige soorten leven tussen de 2 bladhelften en eten daar gedeeltelijk of volledig het palisadeparenchym en/of sponsparenchym weg of leven slechts van de epidermiscellen. Ze vreten dus het blad niet volledig weg en gebruiken zo het blad als onderdak om te overleven. Doordat ze de binnenkant wegvreten ontstaan holtes tussen de twee bladhelften en dat noemen wij bladmijnen.
  • Het zijn niet alleen rupsen van bladminerende vlinders (Lepidoptera) maar er zijn ook vliegen (Diptera), bladwespen (Hymenoptera) en kevers (Coleoptera) die bladmijnen veroorzaken. Deze soorten zullen niet worden besproken; op deze site gaan we enkel dieper in op de Lepidoptera. Indien jullie een bladmijn via deze site niet op naam kunnen brengen dan kunnen jullie zeker de Nederlandse site http://www.bladmineerders.nl/ ofwel de Britse site http://www.leafmines.co.uk/ raadplegen waar ook alle andere mineerders worden besproken!
  • Niet alle mineerders leven hun gehele leven in een mijn: er zijn er ook die slechts een korte tijd in een mijn verblijven. Bvb de rupjes van Bucculatrix thoracella maken eerst een kleine gang in de bladeren van Tilia sp. om daarna vrij te leven aan de onderkant van de lindebladeren totdat ze verpoppen. Er zijn ook soorten die verschillende mijnen maken, bvb de rupsen van het genus Caloptilia. Deze maken eerst een epidermale gang, daarna maken ze een onderzijdig blaasmijntje dat trekken vertoont van een vouwmijn. Wanneer de rupjes dan groter zijn, maken ze aan de rand van het blad een omslag waarin ze verder leven, deze omslag verlaten ze regelmatig om een nieuwe te maken totdat ze gaan verpoppen.

 
De mijnen verschillen van soort tot soort, de te onderscheiden vormen zijn:

  • Gangmijnen: Deze mijnen zijn meestal gemaakt door rupsen uit de familie van de Nepticulidae. De typische smalle, niet sterk verwijdende, kronkelende/rechte gangetjes zijn makkelijk te vinden op de meeste houtachtige gewassen.
  • Vouwmijnen: Zowel onderzijdige als bovenzijdige vouwmijnen. Aan de éne kant ziet men dan een soort opwelving van het blad, aan de andere kant van het blad vertoont de mijn dan één of meerdere plooitjes. Deze soort mijnen zijn altijd door rupsen veroorzaakt en dan meestal door Phyllonorycter-soorten uit de familie van de Gracillariidae.
  • Blaasmijnen: Bij deze mijnen gaat de rups alles rondom zich wegvreten zodat er een doorschijnend stukje ontstaat (blaasmijn). Bij blaasmijnen wordt dus meestal alles tussen de twee bladhelften weggevreten. De uitwerpselen van de rups (frass) blijven in de mijn zichtbaar. 
  • Vlekmijnen: Deze mijnen worden meestal veroorzaakt door rupsen uit de familie van de Coleophoridae (kokermotten). De rupsen uit deze familie maken telkens een soort van kokertje waarmee de rups rondkruipt om op die manier kleine vlekmijntjes te gaan maken op verschillende plaatsen op het blad. Omdat de rups niet volledig in de mijn zelf kruipt moet ze keer op keer een nieuwe "groene" plaats zoeken om te kunnen eten. Doordat de rups een gaatje maakt in de epidermis is er steeds een mooi rond gaatje te vinden en ook zal er nooit frass aanwezig zijn in de mijn omdat de rups die via de achterkant van de koker naar buiten werkt.
  • Gang-blaasmijn: Bij deze mijnen wordt er eerst een gangmijn gemaakt die over het algemeen overlopen wordt door de latere blaasmijn maar de begingang blijft steeds zichtbaar in de mijn. Soms wordt de gang niet overlopen zoals bij Stigmella plagicolella.
  • Gang-vouwmijn: Deze mijnen vind men bij enkele soorten Caloptilia. Sommige van deze soorten maken eerst een gangetje dat overgaat in een blaasmijn waarin heel wat spinsel wordt afgezet waardoor de mijn een vouwmijn wordt.
  • Gang-blaas-uitsnede: Bij bvb. Phylloporia bistrigella maakt de rups eerst een smalle lange gang en daarna een blaasmijn waar ze op het einde een uitsnede maakt.

Er zijn ook nog een aantal andere manieren van mineren waar we een onderscheidt in maken:

  • Vruchtmineerder: Deze soorten mineren in de vruchten van esdoorn, het zijn enkel 3 soorten die dit doen. Ectoedemia louisella, decentella en sericopeza.
  • Naaldmineerder: Deze soorten mineren in de naalden van verschillende bomen.
  • Schorsmineerder: Rupsen van bepaalde Nepticulidae mineren net onder de schors van bomen.
  • Stengelmineerder: Net zoals de rupsen van schorsmineerders mineren ook deze rupsen net onder de schors maar dan van lagere planten.

Dan zijn er ook nog de rupsen die met een kokertje zaadjes leegeten van planten. Dus eigenlijk geen mineerders maar omdat deze soorten alleen in de familie van de Coleophoridae voorkomen en alle andere soorten uit die familie wel mineren behandelen we die familie in zijn geheel.

  • Zaadeter: Deze soorten maken een kokertje meestal van een zaadje en kruipen daarmee op andere zaadjes om die leeg te eten.