U bent hier

Home

Elachista alpinella Stainton, 1854

Alpenzeggemineermot
Synoniemen: 
= monticole Wocke, 1876
Soort mijn: 
Ei: 

Het ei wordt een aantal cm's van de bladtop afgelegd op verschillende soorten zegge. 

Rups: 

De smalle geelachtige rups heeft een blinkende zwartbruine kop. De prothoracale plaat bestaat ui twee grijze, driehoekige chitinestukken die wijd uit elkaar liggen. 

Mijn: 

De gang start een aantal cm onder de bladtop en daalt af naar beneden. Na de overwintering maakt de rups eenzelfde mijn die tot 60cm lang kan zijn en die tot aan de basis van het blad loopt. Deze mijn ligt meestal langs de hoofdnerf maakt ook soms enkele mm ernaast. Het bruine frass ligt in een onderbroken lijn.

Cocon/pop: 

De rups verpopt zonder cocon verankerd aan de stengel door middel van een zijden draad tussen abdominaal segment 4 en 5. 

Opmerkingen: 
  • Deze zeer zeldzame soort werd tussen 1980 en 2004 enkel in de provincie Antwerpen waargenomen. 
Waardplanten: 
Carex acuta
Scherpe zegge
Carex acutiformis
Moeraszegge
Carex paniculata
Pluimzegge
Carex riparia
Oeverzegge
Verspreiding België: 

Oude waarnemingen van deze soort waren van voor 1980 uit de provincies Luxembrug en Brabant. Recenter tussen 1980 en 2004 is ze in Antwerpen waargenomen. 

Verspreiding algemeen: 

Overal in Europa behalve in het grootste deel van het zuiden. 

Levenscyclus: 

De rupsen leven van september tot in de maand mei, motjes vliegen van eind juni tot midden september in één generatie.