U bent hier

Home

Elachista bisculella (Duponchel, 1843)

geen Nederlandse naam
Synoniemen: 
= zonariella Tengström, 1848
Soort mijn: 
Ei: 

Het ei van deze soort wordt afgelegd aan de bladtop. 

Rups: 

De rups is grijsgroen en ze heeft een lichtbruine kop die aan de zijkanten iets donkerder zijn. De prothoracale plaat is in twee gedeeld en ze is donkerbruin. 

Mijn: 

De gangmijn loopt van aan het ei naar beneden, later verwijdt de gang naar een smalle, bleekbruine, lichtjes opgeblazen blaasmijn die de volledige breedte en diepte van het blad kan innemen. Het blad kan door de aanwezigheid van de mijn samentrekken. Het zwarte frass ligt centraal in de mijn in een aantal langgerekte klompen. 

Cocon/pop: 

Verpopping in juni door middel van een pop die wordt verankerd aan een grasstengel door middel van een zijden draadje. 

Opmerkingen: 
  • Deze soort kan verschillende mijnen maken in hetzelfde blad. 
  • De groei van deze soort is heel traag, ze start met een mijn te maken in de herfst en verpopt maar in het jaar daarop in juni. 
Waardplanten: 
Brachypodium sylvaticum
Boskortsteel
Calamagrostis epigejos
Gewoon struisriet
Carex elata
Stijve zegge
Deschampsia cespitosa
Ruwe smele
Festuca arundinacea
Rietzwenkgras
Verspreiding België: 

Waargenomen tussen 1980 en 2004 in de provincie Antwerpen. Oudere waarnemingen zijn van voor 1980 en komen uit de provincies Limburg en Brabant. 

Verspreiding algemeen: 

Overal in Europa te vinden behalve in het zuiden. 

Levenscyclus: 

De rupsen van deze soort zijn te vinden van de herfst tot na de overwintering in juni. De motjes vliegen vermoedelijk in twee generaties van mei tot september.