U bent hier

Home

Elachista freyerella (Hübner, 1825)

Kleine grasmineermot
Synoniemen: 
= nigrella (Hübner, 1805), nec (Fabricius, 1775)
= pullella sensu auct.
Soort mijn: 
Ei: 

Het ei wordt afgelegd nabij de bladtop.

Rups: 

De grijsgele rups heeft een zwarte kop. De zwarte prothoracale plaat is in twee gedeeld. 

Mijn: 

Van aan de bladtop maakt de rups een lange, vlakke, brede, witte blaasmijn waarin het frass onregelmatig verspreidt ligt. De rups kan verschillende mijnen maken. 

Cocon/pop: 

De rups verpopt in een cocon die gesponnen wordt op een stengel of op de plant. 

Opmerkingen: 
  • Elachista freyerella heeft een voorkeur voor Poa-soorten.
Waardplanten: 
Agrostis spec.
Struisgras spec.
Bromus spec.
Dravik spec.
Dactylis spec.
Kropaar spec.
Festuca arundinacea
Rietzwenkgras
Festuca rubra
Rood zwenkgras
Holcus spec.
Witbol spec.
Poa annua
Straatgras
Poa compressa
Plat beemdgras
Poa nemoralis
Schaduwgras
Poa pratensis
Veldbeemdgras
Poa trivialis
Ruw beemdgras
Triticum spec.
Tarwe spec.
Verspreiding België: 

Oude waarnemingen van voor 1980 zijn er uit Antwerpen, Brabant en Henegouwen. Tussen 1980 en 2004 wel waargenomen in de provincie Namen. 

Verspreiding algemeen: 

Zo goed als geheel Europa behalve het Balkanschiereiland. 

Levenscyclus: 

Deze soort heeft twee generaties per jaar. De motjes vliegen van eind april tot eind juni en terug van eind juli tot begin september.