U bent hier

Home

Elachista obliquella Stainton, 1854

geen Nederlandse naam
Synoniemen: 
= megerlella (Hübner, 1810)
= albinella sensu Haworth, 1828, nec (Linnaeus, 1758)
Soort mijn: 
Ei: 

Het vrouwtje legt 2 a 3 eitjes heel dicht tegen elkaar af aan de bovenkant van het blad. 

Rups: 

De groengrijze rups heeft een bleekbruine kop, de monddelen zijn iets donkerder. De prothoracale plaat is donkerbruin en in twee gedeeld.

Mijn: 

De beginmijn is een smalle naar boven lopende gang waarvan het frass geconcentreerd ligt in het begingedeelte. Daarna kiest de rups een nieuw blad om een blaasmijn te maken die zo breed is als het blad zelf. De epidermis is gerimpeld. De rups kan zowel naar boven als naar onder mineren. 

Cocon/pop: 

De rups verpopt op een blad of aan een stengel verankerd door middel van een zijden draadje. 

Opmerkingen: 
  • Deze zeer zeldzame soort is sinds 1980 niet meer waargenomen in ons land. 
Waardplanten: 
Brachypodium pinnatum
Gevinde kortsteel
Brachypodium sylvaticum
Boskortsteel
Bromopsis erecta
Bergdravik
Bromopsis ramosa subsp. ramosa
Ruwe dravik
Calamagrostis spec.
Struisriet spec.
Carex acuta
Scherpe zegge
Carex ornithopoda
Vogelpootzegge
Carex spicata
Gewone bermzegge
Carex sylvatica
Boszegge
Dactylis glomerata
Kropaar
Deschampsia cespitosa
Ruwe smele
Festuca spec.
Zwenkgras spec.
Hordelymus europaeus
Bosgerst
Melica spec.
Parelgras spec.
Milium spec.
Gierstgras spec.
Poa chaixii
Bergbeemdgras
Verspreiding België: 

Waarnemingen van deze soort zijn van voor 1980 uit de provincie Brabant. Sindsdien is ze nooit meer waargenomen. 

Verspreiding algemeen: 

Bijna overal in Europa te vinden behalve in Nederland, Groothertogdom Luxemburg, Finland, Litouwen en Wit-Rusland. 

Levenscyclus: 

De rupsen van deze soort zijn te vinden van in de herfst tot het jaar erop in mei en terug in juli. De motjes vliegen in twee generaties per jaar van eind april tot midden juli en terug vanaf de tweede helft van augustus.