U bent hier

Home

Phyllonorycter blancardella (Fabricius, 1781)

Appelvouwmot
Familie: 
Synoniemen: 
Phyllonorycter concomitella (Bankes, 1899)
Soort mijn: 
Mijn: 

Vouwmijn aan de onderkant van het blad met een aantal lengteplooien, die in de latere stadia bruin verkleuren. De mijn is meestal gesitueerd tussen twee secundaire nerven en van bovenaf zichtbaar door de lichtere groene kleur met op het einde van de ontwikkeling enkele bruine vlekken. De frass wordt meestal in een hoek van de mijn opgeslagen.

Cocon/pop: 

De rups maakt een witte cocon in de mijn waarbij soms stukjes frass gebruikt worden. Pop okerkleurig tot bruin.

Opmerkingen: 
  • Gewoon, vooral in Vlaanderen. In het zuiden van het land maar erg sporadisch opgemerkt. Komt meestal in oude, verwaarloosde appelboomgaarden voor.
  • Leeft ook op andere Malus-soorten. Meldingen van andere Rosaceae betreffen meestal verwante Phyllonorycter-soorten (zie Triberti 2007). 
Waardplanten: 
Malus sylvestris subs. sylvestris
Wilde appel
Verspreiding België: 

Over haast het hele land waargenomen, het meeste nog in Vlaanderen, meestal algemeen.

Verspreiding algemeen: 

Holarctisch: heel Europa, Georgië, Kazakhstan, Oekraïne, West-Siberië, Tunesië en Turkije; Canada, Verenigde Staten (http://www.gracillariidae.net/species_by_code/PHYLBLAN). Waargenomen in al onze buurlanden.

Levenscyclus: 

Twee generaties per jaar: rupsen in mei-juni en in september-oktober; motjes van midden april tot einde mei en in augustus. De pop overwintert.