U bent hier

Home

Caloptilia onustella (Hübner, 1813)

Gehaakte esdoornsteltmot
Familie: 
Synoniemen: 
Caloptilia semifascia (Haworth, 1828)
Soort mijn: 
Rups: 

De rups is lichtgroen, kop lichtbruin.

Mijn: 

Aanvankelijk een kort, haast onzichtbaar gangmijntje dat overgaat in een kleine, driehoekige blaasmijn, meestal gesitueerd in het oksel tussen twee nerven. De vrijlevende rups maakt een kegel door een bladlob naar beneden om te plooien. Nadien worden nog twee zulke kegels gemaakt, telkens een beetje groter en al dan niet op hetzelfde blad.

Cocon/pop: 

Een glanzende, geelachtige cocon aan de onderkant van het blad dicht bij de bladrand.

Opmerkingen: 
  • Zeer zeldzaam in België. Van oudsher bekend uit het Zoniënwoud, nadien slechts eenmaal vermeld uit de provincie Limburg.
  • De soort leeft erg monofaag op Acer campestre. Meldingen van Acer pseudoplatanus dienen gecontroleerd te worden. De soort zou in de hogere delen van een boom voorkomen, van 2 tot 4 m hoogte. 
Waardplanten: 
Acer campestre
Spaanse aak of Veldesdoorn
Verspreiding België: 

Zeer zeldzaam en lokaal, slechts waargenomen in twee provincies: Brabant (Zoniënwoud) en Limburg.

Verspreiding algemeen: 

Palaearctisch: Europa, Marokko, Oekraïne, Turkije, Tajikistan, Turkmenistan (http://www.gracillariidae.net/species_by_code/CALOONUS). Nog niet waargenomen in Groothertogdom Luxemburg en Nederland. Door de grote verwarring die er heerst in de naamgeving van de verschillende op Acer levende Caloptilia-soorten is de verspreiding van deze soorten in Europa slecht gekend.

Levenscyclus: 

Twee generaties: rupsen in mei-juni en in juni-juli; motjes in juni en van september, overwinterend, tot in mei.