U bent hier

Home

Elachista humilis Zeller, 1850

Grijze grasmineermot
Synoniemen: 
= humilella (Herrich-Schäffer, 1855)
= perplexella Stainton, 1858
Soort mijn: 
Ei: 

Het ei wordt op de bovenste helft van het blad afgelegd. 

Rups: 

De gele rups heeft een groenige schijn en een lichte dorsale lijn. De kop is lichtbruin. 

Mijn: 

In het najaar maakt de rups een klein gangmijntje gevuld met bruin frass. Na de overwintering in die mijn maakt ze vaak een nieuwe mijn in een ander blad maar het kan ook dat ze verder mineert in hetzelfde blad en de oorspronkelijke gangmijn overloopt. Als ze een nieuw blad mineert dan begint ze bovenaan en maakt op die manier een blaasmijn die meestal de volledige breedte van het blad inneemt. Het frass ligt onregelmatig verspreidt. 

Cocon/pop: 

De rups verpopt zonder cocon aan een grasstengel en is verankerd door middel van een zijden draadje. 

Opmerkingen: 
  • Zeer zeldzaam in ons land. 
Waardplanten: 
Agrostis spec.
Struisgras spec.
Anthoxanthum odoratum
Gewoon reukgras
Carex spec.
Zegge spec.
Deschampsia cespitosa
Ruwe smele
Festuca spec.
Zwenkgras spec.
Holcus spec.
Witbol spec.
Poa pratensis
Veldbeemdgras
Verspreiding België: 

Recente waarnemingen tussen 1980 en 2004 uit de provincie Luik. Oudere meldingen zijn er uit de provincie Henegouwen en Brabant. 

Verspreiding algemeen: 

Vrijwel overal in Europa te vinden behalve op het Iberisch schiereiland en in de Balkan. 

Levenscyclus: 

De motjes vliegen van eind mei tot eind juli.